Wat we in Leuven eten – en hoe dat voedsel geproduceerd, verwerkt en weggegooid wordt – heeft veel meer impact op het milieu dan gedacht. Doctoraatsonderzoekster Villi Ieremia (KU Leuven) bracht voor het eerst het volledige Leuvense voedselsysteem in kaart. Haar bevindingen zijn ronduit scherp: niet landbouw of voedselverlies, maar de consumptie door inwoners en bierverwerking dragen het meest bij aan de ecologische voetafdruk van Leuven. “In een stad die vooruit wil, verdient voeding opnieuw een prominente plek aan tafel.”
In september 2020 trok de Griekse Villi Ieremia na diverse buitenlandse ervaringen naar Leuven voor een Master in Duurzame Ontwikkeling aan de KU Leuven. Tijdens haar studies ontwikkelde ze een grote interesse in voeding en duurzaamheid. Hierna begon ze aan een doctoraatsstudie onder leiding van professor Annemie Geeraerd Ameryckx aan de faculteit Bio-ingenieurswetenschappen. Wat begon als een brede interesse in lokale voedselsystemen, evolueerde naar een uitgesproken expertise in de ‘Territorial Life Cycle Assessment’-methodologie (T-LCA).
Zestien milieueffecten in één studie
Deze aanpak – ontwikkeld in Frankrijk en nog vrij onbekend in Vlaanderen – maakt het mogelijk om niet alleen de klimaatimpact, maar het volledige spectrum aan milieueffecten van een regio in beeld te brengen. Ieremia vroeg zich af wat er zou gebeuren als ze die methode losliet op haar nieuwe thuisstad. Welke hotspots zouden dan zichtbaar worden? En wat kan dat betekenen voor het toekomstige voedselbeleid in Leuven?
In 2022 begon de onderzoekster met het opmaken van een inventaris van het Leuvense voedselsysteem aan de hand van 16 milieu-indicatoren: van luchtvervuiling en land-, water- en grondstoffengebruik tot overbemesting van rivieren en zeeën en de aanwezigheid van toxische stoffen.
Hiervoor combineerde Ieremia tientallen databronnen, waaronder OVAM, Statbel, lokale afvalcijfers, studentenaantallen en internationale LCA-databanken. Die gegevens voedden de vier grote categorieën van het model: landbouwproductie, voedselverwerking, consumptie en voedselafval. “Dankzij deze brede wetenschappelijke aanpak biedt mijn nulmeting van het Leuvense voedselsysteem een vollediger beeld van de milieu-impact dan enkel broeikasgassen,” benadrukt Ieremia.
Methodologische uitdagingen
En die methodologische precisie bleek geen overbodige luxe. “In de praktijk botste ik bij lokale onderzoeken vaak op twee grote uitdagingen: weinig beschikbare data en sterk uiteenlopende bronnen,” vertelt de duurzaamheidsexperte. “Zo moest ik bijvoorbeeld kiezen tussen twee officiële, maar onderling sterk afwijkende datasets over de landbouwproductie in Leuven.”
Ook de basis voor Ieremia’s consumptieanalyse bleek verouderd: de Belgische Nationale Voedselconsumptiepeiling van 2014 was tijdens haar onderzoek de meest recente beschikbare bron. “De recente data uit 2023 zouden de huidige realiteit waarschijnlijk beter weerspiegelen, maar ik maakte optimaal gebruik van de beschikbare data om tot het best mogelijke resultaat te komen,” aldus de bio-ingenieur.
Ook de doelgroepen bepalen voor het consumptiemodel bleek een huzarenstukje. “Internationale studenten telde ik bijvoorbeeld mee als Leuvenaars, terwijl ik Vlaamse studenten door hun afwezigheid als tijdelijke consumentengroep beschouwde.”
Bord en bier wegen het zwaarst
De resultaten van Ieremia’s studie zijn opvallend: onze voeding en dranken veroorzaken veruit de grootste milieu-impact in Leuven. “Voedselconsumptie alleen is goed voor 52% van de totale impact,” deelt de wetenschapster. Om tot dat cijfer te komen, vergeleek en woog ze eerst alle soorten milieuschade tegen elkaar af.
Binnen deze groep springen dierlijke producten er duidelijk uit. “Vlees en zuivel zijn verantwoordelijk voor 26% tot 77% van de milieueffecten – afhankelijk van de specifieke milieu-indicator die wordt gemeten. Die percentages komen overeen met internationale onderzoeken naar de ecologische voetafdruk in verschillende Europese regio’s.”
Een tweede grote aandachtspunt ligt bij de bierindustrie. “Dat de studie specifiek inzoomt op de biersector is geen willekeurige keuze, maar een resultaat van de Europese Industrial Emissions Portal Regulation (IEPR) waarop ik mijn inventaris baseerde,” informeert Ieremia. Deze Europese verordening verplicht enkel grote industriële spelers om hun uitstoot en grondstofgebruik officieel te registreren. . “Omdat AB InBev de enige speler is in de Leuvense voedingssector die deze drempelwaarden overschrijdt, vormen hun activiteiten de enige significante industriële factor binnen de Leuvense stadsgrenzen.”
In de onderzoekscijfers is de brouwerij goed voor bijna de helft (46%) van de totale lokale milieubelasting; gemeten als de combinatie van de 16 milieu-indicatoren. “Niet de bierproductie op zich, maar vooral de omvang ervan voor een kleine stad als Leuven leggen een zware druk op de leefomgeving,” verduidelijkt de onderzoekster.
“Op vlak van duurzaamheid en innovatie doet AB InBev al veel om zijn impact te verkleinen. Toch zou het een enorm positieve invloed hebben op de milieuprestaties van de stad als het bier uitsluitend in herbruikbare glazen flessen en stalen vaten zou worden geproduceerd,” stelt Ieremia. En hoewel de brouwerij al volledig op hernieuwbare elektriciteit draait, ziet de academica ook hier nog ruimte voor verbetering door het warmte- en stoomproductieproces te optimaliseren.

Lokale landbouw wordt overschat
Landbouw speelt dan weer een verrassend kleine rol in de kennisstad. “Leuven telt slechts 18,5% landbouwgrond, en wat er geteeld wordt, zijn vooral voeder- en industriële gewassen zoals tarwe, maïs en suikerbieten,” somt de doctoraatsstudente op. Voor onze lokale voedselvoorziening zijn we dus grotendeels afhankelijk van import. “Meer lokale landbouw en buurtmoestuinen zijn natuurlijk altijd een pluspunt, maar binnen de Leuvense stadsgrenzen heeft deze sector weinig impact op het verkleinen van de stedelijke voetafdruk.”
Toch krijgen deze inzichten in het beleid nog weinig aandacht. “In de praktijk ligt de focus bij de Leuvense klimaat- en duurzaamheidsplannen nog steeds op wonen en mobiliteit. En dat terwijl zowel de wetenschappelijke literatuur, de Europese Commissie als mijn recente onderzoek laten zien dat voeding één van de meest impactvolle verbruikdomeinen is,” zegt Ieremia.
Van veggiecampagnes naar structurele verandering
Tegelijkertijd laat Ieremia’s studie zien waar de grootste kansen liggen om die impact te verkleinen. “In de eerste plaats moeten we structureel inzetten op plantaardiger eten.” Leuven scoort goed in veggiecampagnes en heeft een groeiend vegetarisch aanbod, waaronder 5 restaurants met uitsluitend vegetarische maaltijden. “Maar is dat wel wat we moeten meten? Eén maand vegetarisch eten per jaar levert – hoe goedbedoeld ook – weinig op,” aldus Villi Ieremia.
Het échte verschil zit wellicht in hoe scholen en universiteitsrestaurants hun menu’s samenstellen, en hoe gemakkelijk bewoners dagelijks toegang hebben tot plantaardige alternatieven.
“Een overgang naar een voedingsbewuster dieet zoals het EAT-Lancet-dieet, waarbij rekening wordt gehouden met mens én planeet, kan al een heel positief effect hebben. Maar daarvoor moeten we voeding eerst een belangrijkere plek geven in onze meetmethodes,” herhaalt de onderzoekster.
Voedsel als blinde vlek in Leuvense klimaatplannen
Het mag duidelijk zijn: een revisie van het Leuvense klimaatcontract dringt zich op. “De laatste grote studie over de klimaatimpact in Leuven dateert uit 2013. Mijn onderzoek laat zien dat er een update nodig is om die blinde vlek rond voedsel – de zogeheten ‘carbon vision tunnel’ – te doorbreken,” besluit Ieremia.
Wanneer voeding opnieuw een prominente plek krijgt – zowel aan tafel als op de beleidsagenda – kan Leuven grote stappen zetten richting een effectiever duurzaamheidsbeleid.
