Van posterpitches tot nieuwe samenwerkingen: Leuven als labo voor lokale weerbaarheid

Je bekijkt nu Van posterpitches tot nieuwe samenwerkingen: Leuven als labo voor lokale weerbaarheid

“Vorig jaar hadden we een praatje, nu is ons project goedgekeurd”

Onder de titel ‘Leuven als labo voor lokale autonomie en weerbaarheid’ vond op 17 september het zevende Leuven 2030 Urban Lab plaats. Na het plenaire gedeelte kwam de campus van UCLL in beweging voor het meest interactieve deel van de avond: tijdens een walking dinner gingen onderzoekers, docenten, stadsmedewerkers en andere betrokkenen met elkaar in gesprek aan de hand van 28 posters. Niet alleen om projecten voor te stellen, maar vooral om nieuwe raakvlakken te ontdekken. “Via samenwerkingen kunnen we hier verder kijken dan de korte beleidscyclus”

Kelly Wittemans

De veerkracht van lokale systemen ligt ook Kelly Wittemans nauw aan het hart. Zij rondde net haar doctoraat aan de KU Leuven af over het klimaatpotentieel van tuinen in Vlaanderen. “Tuinen worden vaak gezien als privégebied, maar ze vormen 12,5 procent van de Vlaamse oppervlakte – méér dan bossen”, vertelt Wittemans.

“Als we dat tuinenverhaal niet meenemen, vrees ik dat we veel potentieel over het hoofd zien.”

Op haar poster brengt ze die tuinen in kaart. Opvallend: in steden maken ze meer dan een derde van de oppervlakte uit. “Maar tegelijk is er veel verharding en intensief gazonbeheer”, waarschuwt Wittemans. “In gebieden met grote klimaatrisico’s is het daarom belangrijk om ook die tuinen onder de loep te nemen.”

Een belangrijk onderdeel van de oplossing ziet ze in bomen. “Die leveren onder meer zuurstof, slaan koolstof op en vormen een verbindingsplaats voor vogels. En niet te vergeten: ze dragen ook bij aan het welzijn van mensen.” Eén tuin aanpakken lijkt misschien weinig. “Maar als je kijkt naar de 2,5 miljoen tuinen in Vlaanderen, dan kan dat wél een groot verschil maken. Vergeten we het tuinenverhaal, dan laten we heel veel potentieel liggen.”

Het is niet Kelly’s eerste Urban Lab-postersessie. “Het is mijn bedoeling om beleidsmakers te blijven sensibiliseren. Met mijn posters wil ik hen laten nadenken over instrumenten waarmee burgers hun tuin klimaatvriendelijker kunnen maken.”

Die aanpak begint volgens haar al vruchten af te werpen. “Via eerdere Urban Lab-events werd ik al betrokken bij Leuvense workshops rond klimaatadaptatie. Zo kan ik ook op andere evenementen van de stad Leuven een inbreng doen en mijn boodschap verder verspreiden.”

Op zoek naar het ontbrekende puzzelstuk

Ook Kim Oostvogels is op Urban Lab op zoek naar nieuwe verbindingen. Hij is medeoprichter van het Equinox Collective, een netwerk dat mensen en initiatieven rond maatschappelijke en ecologische transitie samenbrengt. Als facilitator van samenwerking houdt hij zich bezig met procesbegeleiding, organisatieontwikkeling en het ondersteunen van trajecten rond onder meer klimaat, zorg, onderwijs, landbouw en voedselzekerheid.

Maar intussen heeft hij een ambitie die nog verder reikt: hij wil een Living Lab Weerbaarheid op touw zetten. “Het idee ontstond eerder toevallig na een evenement rond bioregionalisme dat ik samen met Leuven 2030 organiseerde”, vertelt Kim. Via contacten die daaruit voortvloeiden, raakte hij betrokken bij onder meer de Insectendag en een inspirerende workshop rond systemisch denken. “Stilaan begonnen verschillende initiatieven elkaar te versterken.”

Op 12 november staat een volgende grote bijeenkomst gepland. Onderzoekers, academici, stadsprofessionals, middenveld en burgers moeten er samen nadenken over een gedeeld toekomstbeeld. Welke financiering is nodig zodat dit gloednieuwe living lab kan blijven bestaan? Wie werkt met wie samen? En wat wordt nu concreet de eerste stap? “Dat alles willen we samen met de stakeholders en iedereen die zich geroepen voelt om de schouders eronder te zetten bespreken”, aldus Oostvogels. Een andere belangrijke bouwsteen binnen dit nieuwe Living Lab zijn de activiteiten van ‘Leuven regenereert’ tijdens het driedaagse bezoek van Joe Brewer, een Amerikaanse systeemdenker en expert in bioregionale regeneratie. Ook de lancering van een speciaal Oikos-magazine over de bioregionale blik op de wereld maakt daar deel van uit. Eind november wordt dit gelanceerd in het Leuvense Wereldcafé.

Om al die dynamieken aan elkaar te knopen, is het Urban Lab-netwerkevent de ideale ontmoetingsplek. “Hier kan ik op zoek gaan naar mensen die mee aan boord willen stappen. Ik bereik hier alvast de juiste actoren.”

Een groen curriculum met Leuvense voorbeelden

Bij een poster achterin heeft Jana Duchateau van UCLL een heel andere vraag. Zij werkt aan Green Us, een Europees project dat een duurzaamheidsprogramma voor het hoger onderwijs wil ontwikkelen.

De eerste doelgroep zijn docenten en professoren. “We willen het programma eerst als microcredential aanbieden – zodat onderwijsprofessionals credits kunnen verdienen met deze vakken. Op termijn kunnen dan ook studenten volgen.” Momenteel ligt er al een theoretisch kader en een gids voor beleids- en onderwijsmakers op tafel. “Dat moeten we nu vertalen naar een helder curriculum dat ook in de praktijk werkt.”

“We willen het warme water niet opnieuw uitvinden, maar vooral leren uit de ervaringen van partners”

En daarvoor is Duchateau vooral op zoek naar reeds afgeronde of nog lopende casussen. “Het is interessant om te kijken naar de lessons learned: wat heeft gewerkt of waar zijn jullie tegenaan gelopen zijn bij de uitwerking van zo’n onderwijsprogramma?”

Op het Urban Lab-event sprak Duchateau onder meer al met collega’s van UCLL, de ngo Rikolto en KU Leuven. Nu wil ze ook onderzoeken of Leuvense projecten als praktijkvoorbeeld kunnen dienen. “Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan een bezoek aan een van de Urban Lab-projecten, zoals FEAST. Daar kunnen we met eigen ogen zien hoe duurzaamheid in de praktijk wordt gebracht.”

Naast leren van gedeelde ervaringen wil ze ook vermijden dat organisaties naast elkaar hetzelfde werk doen. “Het is de bedoeling om te kijken hoe we meer én efficiënter met elkaar kunnen samenwerken – niet om het warme water opnieuw uit te vinden.”

Van een poster naar een internationaal energieproject

Korneel Van Dooren in gesprek op het event van Leuven 2030 Urban Lab in 2025. Het gesprek vormde de aanleiding tot een nieuw onderzoeksproject dat ondertussen is goedgekeurd.

Dat gesprekken op het Urban Lab-netwerkevent ook daadwerkelijk kunnen uitmonden in nieuwe projecten, bewijst KU Leuven-onderzoeker Korneel van Dooren. Hij blikt terug op een ontmoeting van vorig jaar.

Toen presenteerde Leuven 2030-medewerker Nick Meynen er het project PV for all, dat de uitrol van zonnepanelen toegankelijker wil maken voor niet-huiseigenaars. Meynen zocht wetenschappers die konden helpen om juridische en financiële barrières voor eerlijk energiedelen weg te werken. Van Dooren zag meteen raakvlakken met het werk van zijn onderzoeksgroep rond sociaalrechtvaardige duurzaamheidstransities. Vervolgens werden hij en professor Constanza Parra betrokken bij het vormen van een consortium onder leiding van Stad Leuven en Leuven 2030, dat een voorstel indiende binnen DUT (Driving Urban Transitions), een Europees onderzoeksprogramma voor stedelijke transities.

Met succes. Het goedgekeurde internationale onderzoeksproject, HEART – Holistic and Inclusive Energy Approach for Renewable Transitions, gaat zelfs nog een stuk verder dan zonnepanelen alleen. Het onderzoekt hoe buurten verschillende systemen voor hernieuwbare energie – elektriciteit, warmte, koeling en opslag – kunnen combineren.

De onderzoekers kijken daarbij niet alleen naar de technische kant, maar ook naar de financiële en sociale organisatie. In Leuven, Ameland en Sevilla worden onder meer de ruimtelijke kenmerken en de betrokken stakeholders in kaart gebracht. “Die analyse moet als basis dienen voor verdere co-creatie met de buurten”, aldus van Dooren.

Geen tunnelvisie, maar verschillende perspectieven

Ook voor de stadsdiensten is zo’n avond bijzonder nuttig, beklemtoont Daan Van Tassel. Als ruimtelijk planner bij Stad Leuven houdt hij zich al jaren bezig met natuur, biodiversiteit en regeneratieve stadsontwikkeling.

Voor hem draait het om de vraag hoe ruimtelijke ontwikkelingen niet alleen nieuwe woningen, voorzieningen of werkplekken opleveren, maar tegelijk de systemen versterken waarvan een stad afhankelijk is: water, voedsel, biodiversiteit en andere ecosysteemdiensten. “Elk project moet een eigen bijdrage leveren aan het versterken van dat natuurlijke netwerk.”

“Met studenten en onderzoekers kunnen we verder kijken dan de korte beleidsperiode”

Daarvoor heeft een stadsdienst kennis nodig die ze niet noodzakelijk zelf in huis heeft. Urban Lab biedt volgens Van Tassel een kans om concrete onderzoeksvragen voor te leggen aan studenten en onderzoekers. Dat kan gaan van klimaatscenario’s voor de Dijlevallei tot vragen over klimaatrechtvaardigheid en de verdeling van groene ruimte. “Een lokaal bestuur werkt binnen relatief korte beleidsperiodes, maar samen met hen kunnen we die ruimtelijke vraagstukken optillen tot langetermijnprojecten.”

Op de avond zelf legde hij al verschillende nieuwe contacten. Zo wil hij verder praten met onderzoekers rond voedselsystemen. Voor Van Tassel zit precies daar de meerwaarde van Leuven 2030 Urban Lab: verschillende disciplines naast elkaar leggen en zo een tunnelvisie vermijden.

Van de tekentafel naar de straat

“Wat op papier een verbetering lijkt, is dat in de praktijk niet altijd.”

Bij Jesse Pappers draaien de gesprekken in de eerste plaats rond mobiliteit. Hij is coördinator van het Instituut voor Mobiliteit van KU Leuven, dat onderzoekers uit onder meer transport en logistiek samenbrengt. Zijn collega Erin Cooper, die er vanavond niet bij kon zijn en wiens poster Pappers vertegenwoordigt, is researcher binnen het Europese UPPER-project.Daarinonderzoekt ze de impact van maatregelen om openbaar vervoer, wandelen en fietsen in Leuven aantrekkelijker te maken. “Wat op papier een verbetering lijkt, werkt in de praktijk niet altijd”, legt Jesse Pappers uit. “Dat kom je pas te weten door bewoners en andere stakeholders te bevragen.” Daarom zet Leuven onder meer in op co-creatie en gebruikersenquêtes om de maatregelen binnen UPPER verder te verbeteren.

Voor hem is die interdisciplinaire aanpak een must. Aan het Instituut voor Mobiliteit probeert hij onderzoekers uit verschillende disciplines met elkaar in contact te brengen. “De meeste problemen die we nu wereldwijd zien, krijg je niet opgelost door op één domein te focussen.” Het is een leuze die vanavond meermaals weerklinkt: zowel fysiek als inhoudelijk moeten we over onze grenzen heen kijken.

“Ruimte is nooit neutraal“

Dat vindt ook Katrien De Keyser, oprichter van studio KOMPAS. Als ontwerpster gespecialiseerd in neuro-architectuur onderzoekt ze hoe de fysieke omgeving inwerkt op ons stresssysteem en ons gedrag. “Ruimte is nooit neutraal”, stelt ze. “En dat perspectief ontbreekt nog te vaak in het debat over een weerbare stad.” Niet alleen voldoende groen, schaduwplekken of een goede wateropvang zijn van belang, maar ook de vraag wat een omgeving met mensen doet en of ze ontmoeting en verbinding stimuleert.

Op Urban Lab ontmoette De Keyser alvast stadsmedewerkers rond welzijn en stadsplanning met wie ze daar nu verder over wil sparren. “Ik heb nu ondertussen een heel lijstje met namen, dus het was een succes”, klinkt het enthousiast. Bovendien ontdekte ze tijdens de verdiepingssessies voor het paneldebat dat er binnen de stad en de universiteit al heel wat relevante data en expertise aanwezig zijn; informatie waarmee ze verder aan de slag kan.

Een poster op het Urban Lab-matchmakingevent is kortom niet het eindpunt van een onderzoek. Hij vormt de aanleiding om even te blijven staan, een vraag te stellen en een of meerdere raakvlakken te ontdekken. En wie weet groeien die raakvlakken uit tot nieuwe samenwerkingen die niet alleen kennis verbinden, maar ook onze blik op de stad verbreden.

Poster rond (Actieve) Mobiliteit bij OH Leuven fans – Valentina Kroker