Wat als je op een hete zomerdag zwart-op-wit kon zien waar de stad het heetst is — en waarom? In Leuven lukt dat al sinds 2019. Dankzij een netwerk van weerstations en geëngageerde burgers werd de stad een levend klimaatlab en het Leuven.cool-project een toonbeeld van burgerwetenschap. En ook vandaag blijft Leuven volop inzetten op technologie met impact. Onderzoekster Eva Beele (KU Leuven) en Smart City-coördinator Tim Guily lichten toe.

Begin 2019 bundelden KU Leuven, de stad Leuven en het KMI de krachten voor een nieuw, citizen science-experiment: ‘leuven.cool’. De missie van dit initiatief? Het stedelijke hitte-eiland in kaart brengen en onderzoeken hoe verschillende vormen van groen konden helpen om de stad af te koelen. Onder leiding van onderzoekster Eva Beele en professor Ben Somers kwam een fijnmazig netwerk van meer dan honderd kleine weerstations tot stand, verspreid over Leuven en de omliggende deelgemeenten.
Slimme kastjes, slimme burgers
Deze weerstations of -sensoren — kleine, slimme kastjes — konden meer dan alleen de temperatuur meten. “Ze registreerden ook de windsnelheid, -richting, zonne-instraling, relatieve vochtigheid en neerslag,” somt Beele op. De locatiekeuze was dan ook geen toeval. “Sommige toestellen plaatsten we in het midden van verharde pleinen of op speelplaatsen, andere in schaduwrijke tuinen of publieke parken. Zo verkregen we een representatiefbeeld van de diverse microklimaten in de stad.”
Toch was er meer nodig. En daarvoor riepen de universitaire onderzoekers de hulp in van de Leuvenaars: wie een tuin had, kon zich kandidaat stellen om een weerstation in huis te halen. De respons was groot: meer dan 300 inwoners meldden zich, van wie er uiteindelijk zestig een sensor in hun tuin konden laten installeren. “Ook voor deze selectie mikten we op een evenwichtige spreiding over het stedelijk weefsel.”
De technologie is intussen wat verouderd, maar miste haar doel niet. “Elk weerstation bestaat uit een buitenunit die verschillende variabelen meet. Via radiofrequentie worden die gegevens automatisch doorgestuurd naar een kleine ontvanger in de woning van de deelnemer,” doet Eva Beele uit de doeken. Dankzij dat bakje, verbonden met stroom en internet, kwam alle data vlot terecht bij de server van KU Leuven.

Technische obstakels
Zo nu en dan haperde het systeem. “In oudere huizen met dikke muren merkten we dat de radiosignalen vaak verstoord raakten. Een afstand van 100 meter bleek dan plots te ver, waardoor we de ontvanger dichter bij het weerstation moesten plaatsen.” Ook de internetconnectie bleek soms een struikelblok. “We hebben af en toe een wifi-extender moeten installeren bij deelnemers thuis,” vertelt Beele. “Soms hielp dat, maar als de storing op de data bleef aanhouden, moesten we het station toch weghalen.”
Bij enkele stations moest het team daarnaast regelmatig batterijen komen vervangen. “De sensoren waren dan wel uitgerust met een klein zonnepaneeltje dat de batterijen zelfstandig kon opladen; in de winter bood dit weinig soelaas. Gelukkig bleken de batterijen bij de meeste stations wel prima stand te houden.
Ondanks die technische beperkingen, leverden de weerstations een schat aan informatie op. “Dankzij de medewerking van de Leuvenaars konden we temperatuurdata verzamelen op plaatsen waar de wetenschap anders nooit was geraakt.”
Via de website leuven.cool konden bewoners de temperatuur en andere meteorologische gegevens in hun tuin live opvolgen, en die vergelijken met die van vrienden aan de andere kant van de stad. “Bij sommigen ging het enthousiasme zelfs zó ver dat ze hun domotica in huis of serre volledig afstemden op de data van het weerstation,” deelt hoofdonderzoekster Beele. “En ook de stad Leuven gebruikte de data soms om de temperatuur op specifieke plaatsen in de stad in detail te kunnen analyseren.”

Wat bomen overdag doen, doen struiken ’s nachts
De resultaten bewezen wat de onderzoekers al langer vermoedden. “Tijdens hete zomernachten kon het tot 7°C warmer zijn in het centrum van Leuven dan aan de stadsrand. En ook binnen de stadskern waren de verschillen groot: tussen het verharde Ladeuzeplein en de groene Kruidtuin liep het temperatuurverschil ’s nachts op tot wel 4°C.”
Met die harde cijfers gingen Beele en haar collega’s meteen aan de slag. Ze onderzochten waar en wanneer verschillende vormen van vergroening het meeste effect hadden op het stadsweefsel. “Bomen bleken vooral overdag belangrijk als natuurlijke zonneschermen. Grassen en struiken zijn dan weer ’s nachts cruciaal: ze zorgen zowel voor ventilatie als voor de afvoer van warmtestraling.”
Ook de vorm en verdeling van het groen maakte een verschil: langgerekte, complexe groenzones werkten bijvoorbeeld beter dan kleine, compacte grasvelden. “In het stadscentrum, met veel verharding en hoge gebouwen, is er nood aan een stedelijke savanne, waar aaneengesloten lage begroeiing wordt afgewisseld met verspreide bomen, om zowel overdag als ’s nachts verkoeling te bieden.”
Al deze inzichten legden de basis voor nieuwe vergroeningsprojecten in Leuven. “Zo’n sensor laat dus mooi zien hoe slimme data de weg kan wijzen naar een toekomstgerichte stadsaanpak.”
Minder sensoren, meer strategie
Maar voor een duurzaam resultaat moet je die dataset wel actief blijven onderhouden. Al tijdens het Leuven.cool-project, dat liep tot en met april 2025, begon de infrastructuur tekenen van slijtage te vertonen. Smart City-coördinator Tim Guily werkte samen met zijn collega’s bij Stad Leuven een plan uit voor een efficiënter datanetwerk in de stad.
“De eerste generatie weerstations was betrouwbaar en ideaal voor installatie bij burgers thuis binnen een citizen science-project, maar ze waren niet erg praktisch,” legt Guily uit. De nieuwe sensoren, zoals de compacte Senstick van Senzemo, sturen hun data nu rechtstreeks door via 4G of 5G. “Base stations of lokale wifi-netwerken zijn dus niet meer nodig, wat de weerstations goedkoper en eenvoudiger maakt om te (ver)plaatsen en beheren.”
In plaats van opnieuw tientallen sensoren bij bewoners te installeren, kiest de stad nu bewust voor minder, maar strategisch geplaatste exemplaren. “Locaties met verhoogde klimaatgevoeligheid, zoals plekken waar kwetsbare groepen verblijven, krijgen daarbij voorrang. Voorlopig voorzien we alvast weerstations in drie woonzorgcentra en in kinderdagverblijf ‘De Girafant’ aan de Philipssite.”
De oude sensoren worden bovendien niet zomaar afgedankt, maar via het circulaire maak- en herstelcollectief MAAKbaar Leuven hersteld én hergebruikt.

Leuvense ‘digital twin’
Al die data voedt ook de pilootversie van Leuvens ‘digital twin’: een experimenteel 3D-model van de stad waarin allerlei simulaties kunnen worden uitgevoerd. Zo kunnen stadsmedewerkers temperatuurmetingen onder meer koppelen aan de bezoekersdrukte in de binnenstad.
“Wat als we hier minder auto’s toelaten, daar een park aanleggen, of die oude waterloop opnieuw openleggen? Door de impact van zulke ingrepen digitaal zichtbaar te maken, vergroten we niet alleen de interne kennis, maar ook het draagvlak voor veranderingen onder de Leuvenaars,” weet Guily.
Zo werkt Leuven – slim en nauwkeurig – verder aan een klimaatbestendige stad. Niet met grote woorden, maar met kleine sensoren, een hoop data en vooral: veel daadkracht.
